Vroegste geschiedenis van de dystopie

 

Dystopische romans tot 1870

De dystopie is een literair genre dat de afgelopen jaren sterk in populariteit is gegroeid. Waarschuwingen tegen toekomstige maatschappelijke nachtmerries in literaire vorm zijn het. Doemscenario's maar geschreven met de bedoeling de mensheid op tijd wakker te schudden. Omdat de verhalen draaien om een fictieve maatschappij in de toekomst wordt het gezien als een subgenre van sciencefiction, al valt daarover te discussiëren. Voorheen waren dystopieën voornamelijk bekend van een opleving in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, met klassiekers als Nineteen Eighty-four en van George Orwell en Brave New World van Aldous Huxley. Deze boeken zijn echter bij lange na niet de eerste pogingen de mensen bij de les te krijgen. De oudste dystopieën bestonden tegen die tijd al zo'n twee eeuwen.

 

Henrique Alvim Correa - Illustratie uit een Franse editie van 1906 van War of the Worlds van H.G. Wells. Dit verhaal was de eerste dystopie waarbij de aarde werd aangevallen door technisch superieure, buitenaardse wezens. Bron Wikimedia Commons

Wat is een dystopie

De Van Dale geeft in principe maar een betekenis van het woord dystopie, namelijk 'afschrikwekkend toekomstbeeld'.  In het dagelijks gebruik zijn er echter twee betekenissen, al zijn die nauw met elkaar verbonden. Het wordt namelijk gebruikt om zowel de dystopische samenleving zelf mee aan te duiden als om fictieve verhalen die over dergelijke samenleving zijn geschreven mee te onderscheiden als genre. De dystopische maatschappij vraagt om andere toelichting.

Op wikipedia wordt de volgende omschrijving gegeven:

“Een dystopie is een (denkbeeldige) samenleving met louter akelige kenmerken waarin men beslist niet zou willen leven. Een dystopie is daarmee het tegenovergestelde van een utopie die juist een bijzonder aangename samenleving voorstelt.”

Het woord dystopie betekent dan ook letterlijk ‘anti-utopie’. Een dystopische samenleving geldt dus in hoge mate als onwenselijk en/of beangstigend. Meestal is er sprake van ontmenselijking, totalitaire regimes, milieurampen of andere vormen van algehele maatschappelijke ontwrichting. De bewoners van een dystopie zien hun lot bepaald door hogere machten en hebben weinig tot geen invloed op de gang van zaken. In veel gevallen is er al sprake van een apocalyptische of postapocalyptische situatie.

 

Albert Goodwin - Apocalyps, 1903. Bron: Wikimedia Commons

Doel van de auteur

Schrijvers willen met een dystopische roman doorgaans hun steentje bijdragen aan discussies over belangrijke issues in de echte wereld . Dat kan gaan om kwesties betreffende de politieke en/of sociale orde, het milieu, religie en spiritualiteit of de snelle ontwikkeling van technologie of media. Soms betreft het echter ook meer fantastische toekomstige realiteiten zoals een dystopie op een andere planeet, buitenlandse wezens die de aarde veroveren (ook bekend als alien apocalyps) of een wereld die wordt overgenomen door tot zombies verworden mensen (zombie apocalyps). 

Meestal extrapoleren auteurs hedendaagse ontwikkelingen en trends naar de toekomst om te speculeren over wat er mis kan of zal gaan als deze ontwikkelingen in een verder stadium komen en/of in handen van foute machthebbers vallen. Er kan ook goed sprake zijn van een 'wat als' scenario. Daarmee valt de dystopie doorgaans te zien als een dringende waarschuwing van de auteur tegen de manier waarop bestaande ontwikkelingen of eventuele toekomstige ontwikkelingen (zoals het koloniseren van de ruimte) zouden kunnen uitpakken.

Van literatuur naar sciencefiction

Tot 1950 telden de meeste dystopieën onder als wereldliteratuur. Dat leverde een aantal werken op die nog steeds als ultieme klassiekers in het genre tellen. Met als belangrijke blikvangers onder andere Het proces van Franz Kafka uit 1925, Brave New World van Aldous Huxley uit 1932 en natuurlijk 1984 van George Orwell dat in 1949 verscheen. De jaren tussen 1920 en 1950 waren wel hoogtijdagen voor de literaire dystopie. Orwell lijkt echter een tijdperk te hebben afgesloten.

 

Boris Konstantinovitch Bilinsky  - Franse poster voor de Duitse dystopische film Metropolis van Fritz Lang uit 1927. Niet alleen in boeken bracht het tijdperk 1920-1950 hoogtepunten. Metropolis, een vroeg verhaal over robots die de macht overnemen, was een baanbrekende film en sloeg in als een bom. Hij telt nog steeds als een van de belangrijkste films uit het interbellum überhaupt. Bron: Wikimedia Commons

 

Na 1950 veranderde de situatie. Dat lag niet zozeer aan de dystopie, maar aan de opkomst van sciencefiction als serieuze genreliteratuur. Dystopische verhalen vloeiden vanaf nu vooral uit de pennen van erkende sciencefiction schrijvers en verdwenen binnen de algemene literatuur grotendeels uit beeld. Waarmee het niveau van de dystopieën overigens niet achteruit ging. Tenslotte waren de auteurs van na 1950 specialisten. 

Zowel de grote namen van voor als van na 1950 bouwden echter voort op de basis die voor de Eerste Wereldoorlog was gelegd. 

Dystopieën tot 1900

Tot 1914 valt er binnen het dystopische genre weinig eenvormigheid te ontdekken. Dat komt omdat er tussen het eerste boek met dystopische kenmerken uit 1726 en de boeken die rond 1910 verschenen voornamelijk sprake is van de geleidelijke ontwikkeling van het genre. Mogelijk is dat ook de reden dat het genre na de Eerste Wereldoorlog met zoveel succes kon worden opgepakt; nog net voor de Eerste Wereldoorlog was het tot wasdom gekomen.

Van twee auteurs die hierbinnen een rol speelden moet worden gezegd dat het eigenlijk toch sciencefictionschrijvers waren, zij het wel een beetje avant la lettre. Dat betreft Jules Verne en H.G. Wells.

Imaginaire reizen met dystopische kenmerken

In 1726 publiceerde de Iers/Britse dominee Jonathan Swift (1667 - 1745) met Gulliver’s Travels of Gullivers reizen, waarvan de volledige titel als volgt luidt: Travels into Several Remote Nations of the World, in Four Parts. By Lemuel Gulliver, First a Surgeon, and then a Captain of Several Ships. Dit is het eerste bekende werk waar dystopische kenmerken in voorkomen. Van een dystopische roman is echter nog geen sprake, niet in de laatste plaats omdat er niet eens sprake is van een roman. Het is namelijk een verzameling van vier verhalen over dezelfde hoofdpersoon, Lemuel Gulliver. In de verhalen bezoekt hij verschillende niet-bestaande landen. 

 

 

Charles Jervas - Jonathan Swift, 1718. Detail. Bron: Wikimedia Commons / National Portrait Gallery

Daarmee behoorde het tot het in de 18de eeuw dominante genre van de imaginaire reis. Daarin werden fictieve reizen naar fictieve landen beschreven met als bedoeling de normen en waarden van de Verlichting uit te dragen. Binnen dat kader waren de beschreven maatschappijen doorgaans utopisch van aard om te laten zien hoe het wél moest. In Gullivers reizen komt dat ook voor, bijvoorbeeld bij het land Brobdingnag waar reuzen wonen. was dat echter niet in ieder verhaal het geval. Swift onderscheidde zich van zijn collega's door ook dystopische samenlevingen neer te zetten. Het belangrijkste voorbeeld daarvan is Lilliput, het land van de vingergrote mensen.

Swift schreef het boek vooral als satire op de Engelse (en Europese) samenleving, het koninklijk hof, de wetenschap en de menselijke moraal. Het verhaal over Lilliput is bijvoorbeeld een satire op de gewoonten aan het hof van de Engelse koning George I en de politieke strijd in het 18de-eeuwse Engeland tussen de ‘Tories’ en de ‘Whigs’.  Daarmee is dit in tegenstelling tot latere dystopieën geen somber maar juist grappig verhaal.

Gullivers reizen is het eerste boek waarin dystopische elementen herkenbaar terugkomen. Daardoor kan het gezien kan worden als de eerste dystopie ooit, al is niet iedereen het daarmee eens. Dit boek telt voor meer (sub)genres als een eersteling, zoals bijvoorbeeld ook voor moderne fantasy. Daaruit blijkt wel hoe origineel en baanbrekend dit werk is geweest. Swift was zijn tijd echter ver vooruit, waardoor het even duurde voordat hij serieuze navolging kreeg. 

 

Jehan Georges Vibert - Gulliver en de Lilliputters, tweede helft 19de eeuw. Bron: Wikimedia Commons

De laatste mens op aarde en de apocalyps

Wereldberoemd en onsterfelijk zou ze worden, schrijfster en politica Mary Wollstonecraft Shelley (1797-1851), maar niet met het boek dat vermoedelijk de eerste echte dystopie is die ooit werd geschreven. Het was haar gotische roman Frankenstein; or, the Modern Prometheus uit 1818 (het boek heeft verschillende Nederlandse titels gekend) dat de wereld zou veroveren. Haar dystopische toekomstroman The last man (De laatste man) uit 1826 daarentegen werd finaal afgeserveerd in de pers en verdween lange tijd in de krochten van de wereldliteratuur. Dat veranderd pas in 1965 toen een herdruk van het werk verscheen en mensen er anders tegenaan keken. Desondanks zou er nooit een Nederlandse vertaling verschijnen.

Net als Jonathan Swift wilde Mary Shelley eigenlijk aanhaken bij een thema dat destijds erg populair was en kwam tot de eerste apocalyptische dystopie zonder dat zelf te beseffen. Waar het haar om ging was een verhaal te schrijven over de laatst overgebleven mens op aarde. In haar verhaal wordt het uitsterven van de mensheid in de 21ste eeuw veroorzaakt door een wereldwijde pandemie van de builenpest. De geschiedenis van het thema verdient echter nadere toelichting. 

 

Boven: Richard Rothwell  - Mary Wollstonecraft Shelley, voor 1840 (cropped). Bron: Wikimedia Commons / National Portrait Gallery.

Rechts: Titelpagina van de eerste editie van The Last Man

 

Het verloren paradijs en de bijbelse apocalyps

Als onderwerp kwam het laatst-overgebleven-mens thema meer voor in de eerste decennia van de 19de eeuw, het tijdperk van de Napoleontische oorlogen en de naweeën daarvan. De spits hiertoe werd dan ook in 1805 in Frankrijk afgebeten met de in dichtvorm geschreven Franse roman Le Dernier Homme van Jean-Baptiste Cousin de Grainville. Dit boek wordt gerekend tot een genre dat we tegenwoordig science fantasy noemen en telt als het eerste werk uit de geschiedenis waarin het einde van de wereld wordt beschreven.

Uiteraard is ook dit verhaal apocalyptisch en daarnaast heeft het wat dystopische elementen. Uiteindelijk draait het echter uit op een wat bijbels geheel rondom de zondeval van Adam en Eva en is er niet echt sprake van een uitgewerkte dystopie.  De Grainvilles grote voorbeeld voor deze roman was het verbijsterend lijvige, epische gedicht Paradise Lost van John Milton uit 1667. Dat handelt eveneens over de verstoting van Adam en Eva uit het paradijs, maar maakt ook veel werk van de vak van Lucifer.  De gevolgen zijn van apocalyptische aard en de beschrijving daarvan staat feitelijk aan de basis van alle latere (post)apocalyptische literatuur.

Imre Madách en een toekomstige ijstijd

Enige decennia later, in 1861, zou er in Hongarije nog een dystopisch toneelstuk verschijnen dat ook zwaar op Milton leunde. Dat was The Tragedy of ManDe tragedie van de mensheid door Imre Madách (1823-1864); nog steeds een van de meest opgevoerde toneelstukken van Hongarije en in 1984 en 2011 verfilmd. Hoofpersonen zijn Adam, Eva en Lucifer. Het verhaal speelt zich in meerdere tijdsperioden af, waarvan de laatste een postapocalyptische ijswereld in de verre toekomst betreft. Het is om die reden dat dit toneelstuk is gaan tellen als een vroege dystopie.  

 

John Martin - Pandemonium, 1841. Het schilderij verbeeld een scene uit Paradise Lost van John Milton. Het apocalyptische karakter spat er vanaf. Bron: Wikimedia Commons

 

Niet-bijbelse apocalyps

Na het boek van De Grainville kwam het laatst-overgebleven-mens thema onder andere voor in de gedichten Darkness van Lord Byron uit 1816 en The Last Man van Thomas Campbell uit 1824. Aangezien Le Dernier Homme alleen in een bar slechte Engelse vertaling beschikbaar was, is het echter maar de vraag in hoeverre dit boek van invloed is geweest op welke Britse auteur dan ook. Campbell ondertussen heeft steeds geclaimd dat Byron het idee voor dit onderwerp van hem had gestolen, maar een rechtszaak daarover heeft hij verloren (ACV?)

Hoe dan ook, in The Darkness zet Byron een voorzichtige stap richting een andere dan bijbelse apocalyps, al gebruikt hij veel bijbelse taal om het te verwoorden. Hij schreef het gedicht echter naar aanleiding van een natuurramp die in 1815 daadwerkelijk plaatsvond, namelijk de uitbarsting van de Indonesische vulkaan Tambora. Hierbij kwam zoveel zwavel en andere uitstoot vrij bij dat het in Europa een jaar lang bijna volledig donker bleef en de lucht er vreemd gelig uitzag. Dit staat bekend als 'het jaar zonder zomer', wat voor velen leidde tot een jaar zonder eten. Gewassen groeien immers niet zonder zon. Mensen wisten niet goed wat ervan te denken en velen vreesden dat de zon bezig was uit te doven. Al teveel verbeelding had de dichter dus verder niet nodig om tot een pessimistisch apocalyptisch einde te komen.   

 

 

J. A. Gradmann - Soepkeuken in Ravensburg tijdens de hongersnood van 1816-17, 1817. Bron: Wikimedia Commons

 

Byron was een goede vriend van het echtpaar Shelley, maar overleed in 1624 op 36-jarige leeftijd. Dat was twee jaar nadat Mary's echtgenoot Percy Byssche Shelley, die andere beroemde romantische dichter, op 29-jarige leeftijd was overleden. Ondertussen raakte ze ook nog enkele van haar kinderen kwijt en was ze zelf langdurig ziek. Het liet haar gedeprimeerd en in diepe rouw achter.  In die hoedanigheid stortte ze zich op het schrijven van een boek dat een tribuut moest worden aan haar twee overleden helden. Het zorgde voor de curieuze situatie dat een van de vroegste als sciencefiction bestempelde romans in hoge mate autobiografisch is.

Het belangrijkste probleem dat de pers had met The last man was dat ze het thema beu waren. Ze hadden het wel gezien met die ondergang en die laatste mens op aarde, al zou het toneelstuk van Madách toen nog 35 jaar op zich laten wachten. Recensenten vonden Shelleys boek bijzonder onorigineel. Afgezien daarvan waren ze niet blij met de beschrijvingen van de builenpest, een van de smerigste ziektes ooit. Dat deze roman wel degelijk vernieuwend was heeft men daardoor niet opgemerkt. 

Dit was namelijk een verhaal waarin de apocalyps, in navolging van The Darkness, niet werd veroorzaakt door goddelijke toorn maar door de aardse omstandigheden van een pandemie. Een verhaal waarin de overgebleven mensen in plukjes door een postapocalyptische wereld zwerven, zoals je in hedendaagse postapocalyptica ook veel ziet gebeuren. Een verhaal dat de schrijfster ook ene politieke inslag meegeeft door erin te filosoferen over de vraag of een Republiek een betere regeringsvorm is dan een Koninkrijk. Dat was allemaal beslist niet afgekloven, maar net als Gullivers reizen zijn tijd vooruit.

Verguisd worden was echter iets dat nog veel dystopieën zou overkomen, dus dat is weinig opmerkelijk. Als voorbeeld voor andere 19de-eeuwse dystopische romans zou The Last Man echter nooit fungeren. Tegenwoordig telt het wel als Mary Shelleys op één na beste boek. 

 

 

Theodor Kittelsen - Ze bestrijkt het hele land, 1904. Rond 1900 vond er een laatste vreselijke pestpandemie plaats in Azië met repercussies tot in 1911. Dat bracht menig kunstenaar tot schilderijen als deze. Het zal ook deze pandemie zijn geweest die Mary Shelley ertoe heeft gebracht te kiezen voor de builenpest als veroorzaker van een wereldwijde pandemie. Bron: Wikimedia Commons / National Museum of Art, Architecture and Design (Oslo) 

 

Maatschappijkritiek

Hedendaagse dystopieën gaan vaker wel dan niet vergezeld van een apocalyps, maar in de 19de eeuw lijkt het andersom te zijn geweest. Auteurs ontpopten zich als navolgers van Jonathan Swift en gebruikten fictieve landen of steden, al dan niet in de toekomst, om kritiek te leveren op ontwikkelingen en/of ideeën binnen hun eigen wereld. Hoeveel auteurs dat precies hebben gedaan sinds 1726 is onbekend, omdat zij waarschijnlijk onbekend zijn gebleven en hun werk het labeltje 'obscuur' kreeg. Ongemakkelijk genoeg is de eerste maatschappijkritische dystopische die wél is overgeleverd er eentje die wij juist als 'bijzonder obscuur' terzijde zouden schuiven.

Oliver Bolokitten versus de afschaffing van de slavernij

Het zou niets dan rampspoed brengen om de slavernij af te schaffen. Zo meende Jerome Bonaparte Holgate (1812-1893), een jonge New Yorkse schrijver en genealoog in de jaren '30 van de 19de eeuw. Vooral het idee van interraciale huwelijken, wat hij 'amalgamatie' noemde naar een term uit metallurgie, stond hem tegen. Dit zou leiden tot morele degeneratie van de mensheid met economisch en politiek verval als gevolg. Dit omdat het blanke ras nu eenmaal superieur is aan het zwarte. Deze ideeën gaf hij in 1835 vorm in de roman A Sojourn in the City of Amalgamation, in the Year of Our Lord, 19--. Daarin beschrijft hij de toekomstige stad Amalgamation, waarin mensen expres gemengd trouwen om zo tot raciale gelijkheid te komen. Daar komt weinig goeds van. 

Holgate sluit aan bij ideeën die in zijn tijd door veel Amerikanen, waaronder bijvoorbeeld Thomas Jefferson, werden aangehangen. Rond 1835 was er bovendien veel raciale onrust in de Verenigde Staten en werd afschaffing van de slavernij steeds vaker bepleit.  De auteur omschrijft de doelstellingen van de abolitionisten die de afschaffing van de slavernij voorstonden als sympathiek maar ineffectief en ook voor de slaven zelf ongewenst. Hij toont zich een ware adept van Jonathan Swift: de grote voorganger wordt voor in het boek geciteerd en als vorm gebruikt hij de satire in de vorm van een reisverslag. 

Desondanks stonden de uitgevers niet in de rij voor zijn manuscript. Onder het pseudoniem Oliver Bolokitten, de naam van de verteller uit zijn verhaal, publiceerde hij zijn boek in eigen beheer. In hoeverre het ook is gelezen is niet bekend.

 

 

Edward Williams Clay - An Amalgamation Waltz, 1835. Illustratie voor A Sojourn in the City of Amalgamation, in the Year of Our Lord, 19--. Bron: Wikimedia Commons

 

Fjodor Dostojevski versus Nikolaj Tsjernysjevski

In 1863 gaf de Russische filosoof en socialist Nikolaj Tsjernysjevski (1828-1889) zijn ideeën voor een utopische samenleving vorm in de roman Wat te doen?. Zijn hoofdpersoon Rachmetov leeft erin een ascetisch leven dat geheel in dienst staat van de revolutie. Hij propageert met het boek de ethische stroming van het utilitarisme, waarbij  de morele waarde van een handeling wordt afgemeten aan de bijdrage die deze handeling levert aan het algemeen nut, waarbij onder algemeen nut het welzijn en geluk van alle mensen wordt verstaan.¹

De op dat moment in opkomst zijnde auteur Fjodor Dostojevski (1821-1881), toch ook niet vies van socialistische ideeën, zag niet in wat daar utopisch aan was. Hij reageerde met de dystopische korte roman/novelle Aantekeningen uit het ondergrondse, die hij in 1864 in twee delen publiceerde in het tijdschrift Epocha, dat hij samen met zijn broer uitgaf. In 1865 verscheen het ook in boekvorm.

Het 'verhaal' dat uit verschillende afzonderlijke episoden en monologen dan wel dialogen (hier is men het niet over eens) bestaat, wordt aan elkaar gebreid door een enkele verteller. Deze staat bekend als 'de  ondergrondse mens', een soort archetype dat door de hele literatuurgeschiedenis opduikt. Het valt niet mee de inhoud van het boek samen te vatten, maar je kunt wel stellen dat het de ondergrondse mens niet erg lukt om ascetische zuiverheid te bereiken. Door interactie met de buitenwereld glijdt hij steeds verder af van onzekerheid en twijfel naar masochisme en tenslotte naar sadistische losbandigheid van de gruwelijkste soort. 

Net als Mary Shelley beleefde Dostojevski een persoonlijk rampjaar toen hij dit erg pessimistische boek schreef. Het werd niet meteen afgeserveerd, maar wel volkomen genegeerd door recensenten. Een eerste postume recensie uit 1882 was niet positief. Pas in de loop van de twintigste eeuw kwam er waardering voor het boek dat de overgang markeerde van de vroege Dostojevski naar de volgroeide topauteur. Direct na Aantekeningen uit het ondergrondse schreef hij zijn eerste meesterwerk Misdaad en straf, waarin hij het utilitarisme opnieuw aan de kaak stelt.

Politiek gezien mocht het overigens niet baten. Geen filosoof zou zoveel invloed hebben op Vladimir Lenin als Nikolaj Tsjernysjevski. Twintigste schrijvers van literaire dystopieën zouden dat echter anders gaan zien. 

 

 

Vasily Perov - Portret van Fjodor Dostojevski, 1872. Bron: Wikimedia Commons / Tretyakov Gallery

Jules Verne

Mary Shelley kan wellicht het best worden omschreven als een voorzichtige pionier op het gebied van fictie gecombineerd met wetenschappelijke ideeën, wat later sciencefiction zou gaan heten. Een aantal decennia nadat haar bekendste werken verschenen, zou de Fransman Jules Verne (1828-1905) er pas echt mee aan de slag gaan. Zozeer zelfs dat hij voor velen telt als de vader van sciencefiction. In de meeste van zijn verhalen combineerde hij de wetenschappelijke insteek met die van de imaginaire reis. Curieus genoeg verscheen zijn eerste publicatie in het jaar dat Mary Shelley overleed, 1851. Erg bekend zou hij echter nog even niet worden.    

Parijs in de twintigste eeuw

Bekend werd hij in ieder geval ook niet door Paris au XXe siècle oftewel Parijs in de twintigste eeuw, een dystopie die hij in 1860 schreef maar werd geweigerd door zijn uitgever. Het boek zou te onevenwichtig zijn, maar het pessimistische karkater van het verhaal lijkt ook niet erg te hebben geholpen. Jammer, want het is een van de oudste bekende dystopieën waarin een schrijver waarschuwt tegen de gevaren van een te ver doorgevoerde technologisering van de maatschappij. Een zorg die dankzij de industriële revolutie steeds meer op de agenda kwam te staan en uiteindelijk klassiek zou worden voor dystopieën. 

Dit manuscript werd echter pas in 1994 herontdekt en toen werd het goed ontvangen en alsnog een bestseller. Het is het enige boek waarin Verne een complete toekomstige beschaving beschrijft. Een Opmerkelijk detail is dat de hoofdpersoon, Michel, 16 jaar oud is, net als de helden in veel hedendaagse young adult dystopieën. Toen een jaar later Vernes eerste en enige zoon werd geboren, kreeg die ook de naam Michel.  

 

Boven: Étienne Carjat - Jules Verne, 1884. Foto gerestaureerd door Adam Cuerden. Bron: Wikimedia Commons  

 

Rechts: Voorkant van de Nederlandse uitgave van Parijs in de twintigste eeuw uit 1995. Bron: Bol.com

 

De 500 miljoen van Begum

Het zou niet bij een poging blijven. In 1879 werd de dystopie Les cinq cents millions de la Bégum wél gepubliceerd. In 1880 werd het in het Nederlands uitgebracht onder de titel Eldorado en het monsterkanon van Staalstad en in 1983 als De 500 miljoen van Begum. In dit verhaal worden een utopische en een dystopische stad tegen elkaar afgezet. Opnieuw speelt een tamelijk negatieve kijk op toekomstige technologie een rol, maar is dat pessimisme wel toegespitst op Duitsland en wat Duitsers zouden kunnen aanrichtingen met teveel geavanceerde technologie in hun handen. Ideeën die bij Verne waren ontstaan door de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. 

In het verhaal erven twee erfgenamen, een Fransman en een Duitser, ieder 250 miljoen van een rijk familielid. De Fransman, Dr. Sarassin, gebruikt het geld om in de Amerikaanse staat Oregon (waar gratis land werd uitgedeeld) een utopische gemeenschap te stichten die hij France-Ville noemde en waar hygiëne en wetenschappelijke kennis hoog in het vaandel staan . De Duitser, Prof. Schultze, gebruikt zijn deel om enkele tientallen kilometers verderop de stad Stahlstadt (Staalstad) te stichtten, een militaristische, dictatoriale industriestad. Daar wordt inderdaad ook gewerkt aan een superkanon. Hoofdpersoon Marcel Bruckmann, afkomstig uit de Elzas, raakt bekneld in de rivaliteit tussen beide steden. 

De 500 miljoen van Begum is in onze ogen een even tendentieus als visionair boek. De welhaast karikaturale manier waarop Duitsers worden weggezet, was zelfs voor die tijd op het randje. Tegelijkertijd staat er veel in dat tijdens de Eerste en meer nog de Tweede Wereldoorlog zou uitkomen. 

 

 

Léon Benett - Sur place, il en fait des canons, 1879. Illustratie uit Les cinq cents millions de la Bégum. Bron: Wikimedia Commons