Opkomst van de oranjerie in de 16de en 17de eeuw

 

Toegeschreven aan Pierre-Denis Martin - Vertrek van de gravin van Bourgondië voor de jacht met op de achtergrond de oranjerie van Versailles, 1685-1700. Bron: Wikimedia Commons/ Paleis van Versailles

De eerste overdekte plantenteelt in Europa

De oranjerie of orangerie was de eerste vorm van overdekte, beschermde plantenteelt in Europa. Hij ontstond in de loop van de 16de eeuw in botanische tuinen en de ruime tuinen van landhuizen en kastelen. In de 17de eeuw zou hij zich geleidelijk aan over Europa verspreiden, met name in Duitsland, Frankrijk en de Benelux. De belangrijkste reden hiervoor was het mogelijk maken van citrusteelt, met de sinaasappelboom voorop. Tevens was de opkomst van de oranjerie nauw verbonden met die van de zeevaart. Zeevaarders, of het nu handelaren waren of ontdekkingsreizigers, namen steeds meer exotische planten mee naar huis. Om die de koude, Europese winters te laten overleven, moesten ze een verwarmde standplaats krijgen. Zowel de planten als de daarvoor benodigde gebouwen waren echter zeer kostbaar, waardoor oranjerieën in bezit bleven van universiteiten en de elite. Daarbij groeiden ze uit van praktische gebouwtjes naar luisterrijke statussymbolen ontworpen door barokke toparchitecten.

Inhoudsopgave

  • Wat is een oranjerie precies
    • Het verschil met andere overdekte plantenteelt
    • Internationale spraakverwarring
  • Voorgeschiedenis van de overdekte plantenteelt
  • Botanische tuinen, het begin van de beschermde plantenteelt
  • Het ambulacrum, de eerste soort oranjerie
  • Hoe citrus naar Europa kwam
  • Afneembare oranjerieën in Centraal-Europa
  • De eerste luxe oranjerieën in Europa
    • Naar Frankrijk
  • Introductie in Noord-Europa
  • Het Park van Edingen in België
  • Oranjerieën in de Republiek
    • Architectuur
    • Verwarming door kachels
  • Verdere verspreiding door Europa
  • Bekende Nederlandse oranjerieën in de 17de eeuw
  • Oranjerieën in Frankrijk 1650-1690
    • In opdracht van Lodewijk XIV
  • Oranjerieën in het Verenigd Koninkrijk?
  • De eerste oranjerie in Zweden
  • De opkomst van de kuipplant
  • Handboeken voor het telen van citrus
    • Nederlandse boeken
  • Na 1700
  • Noten
  • Bronnen

Wat is een oranjerie precies

Een oranjerie is een stenen gebouw met grote ramen naar het zuiden gericht, dat werd en wordt gebruikt om niet-winterharde planten in een kouder klimaat te kunnen bewaren en telen, maar ook om in te verpozen. De ramen dienen om de planten zoveel mogelijk licht en warmte van de zon te geven. 

De ramen zitten behalve in de zuidmuur soms ook in het dak. Doorgaans is er een extra warmtebron aanwezig om de temperatuur hoog te houden. De naam oranjerie is ontstaan omdat het telen van citrusboompjes de voornaamste reden was ze te bouwen en later om ze te behouden. 

In zomerse maanden kunnen de planten doorgaans buitenstaan. Daarom staan ze vaak in potten of kuipen die op uiteenlopende manieren werden en worden verplaatst. Daarmee is er bij oranjerieën sprake van een zomeropstelling, wanneer veel of alle planten buiten staan en een winteropstelling wanneer alles binnen staat.

Oranjerieën werden ook ruimtes om in te verblijven, al was dat aanvankelijk alleen mogelijk als er niet teveel gestookt hoefde te worden. Dit wordt eind 18de eeuw anders als verwarming via buizen mogelijk wordt. Tot die tijd geeft de verwarming door vuren of kachels teveel schadelijke walmen af.

In veel literatuur uit de 17de en 18de eeuw noemt men citrus hesperiden of hesperides. Dat is naar een groep nimfen uit de Griekse mythologie die in het land Hesperia de Boom met de Goude Appels bewaakten. Hercules zou als een van zijn 'werken' de opdracht krijgen de appels te stelen. Daarom zijn er ook vaak beelden of afbeeldingen van Hercules te vinden in en om oranjerieën.  

 

 

Ricciardo Meacci - De tuin van de Hesperiden, 1894. Bron: Wikimedia Commons

Opvallend aan deze afbeelding van de mythologische tuin is dat de sinaasappelbomen in potten staan, net als bij een oranjerie. 

 

Het verschil met andere overdekte plantenteelt

In latere tijden kwamen er verschillende andere vormen van overdekte plantenteelt die verwant zijn aan de oranjerie, maar niet helemaal hetzelfde. Hoewel deze in de rest van het artikel niet meer voorkomen, hieronder voor de duidelijkheid toch de verschillen.

Het verschil met serres is dat oranjerieën volledig losstaand gebouwen zijn, terwijl serres aan huizen vast zijn gebouwd. In serres worden vaak ook gewone kamerplanten gezet, zodat er geen extra verwarming nodig is. De serre is primair bedoeld om in te verblijven en veel minder om planten in te telen, terwijl dit bij oranjerieën andersom is.

Een wintertuin is een grote overdekte tuin met allerlei soorten bomen en planten die soms toegankelijk is voor publiek, maar ook privé kan zijn. In België wordt de wintertuin een serre genoemd.

Een palmenhuis is een wintertuin met uitsluitend exotische planten.

Een kas is een volledig glazen constructie uitsluitend bedoeld voor het telen van planten, groenten en fruit. Daar waar oranjerieën ook andere functies hebben, is de kas een zuivere tuiniersaangelegenheid.

 

 

Andreas Roth - De wintertuin van een palazzo, 1912. bron: Wikimedia Commons

Een private wintertuin waarvoor het woord 'serre' naar Nederlandse maatstaven te kort schiet, maar volgens Belgisch gebruik juist van toepassing is.

Internationale spraakverwarring

In het Engels worden woorden als orangerie/orangery, conservatory (plantenkas, oranjerie, serre) en greenhouse (kas) veel meer door elkaar heen gebruikt dan in Nederland. Extra verwarrend is het woord conservatory waar de Britten toch vooral een kleiner gebouw bij of aan huis mee bedoelen, maar dat in andere Engelstalige landen evengoed een grote publieke kas of wintertuin kan betreffen.

Andere talen kunnen er echter ook wat van. In België wordt wat in Nederland een wintertuin wordt genoemd, meestal een serre genoemd, terwijl in het Duits onze serre een wintertuin (Wintergärten) heet. Hoewel in principe het woord wintertuin in Nederland ook kan slaan op een serre, wordt het maar zelden zo gebruikt. In België heet een serre een veranda. In Nederland is een veranda overigens een inpandige of aan het huis gebouwde overkapte ruimte, waarvan de buitenwanden geheel of grotendeels ontbreken, wat in België dan weer een overdekt terras wordt genoemd. 

Hoe dan ook, wie zich bezighoudt met de geschiedenis van de overdekte plantenteelt dient altijd op zijn hoede te zijn voor deze woordenmengelmoes. De in de vorige paragraaf gegeven definities tellen alleen voor Nederland.

 

 

Frances Bannerman - The Conservatory, 1883. Bron: Wikimedia Commons

Het is moeilijk te zeggen of de vrouw in een orangerie of een serre zit, maar een prima plek om een boek te lezen is het in ieder geval wel.

Voorgeschiedenis van de overdekte plantenteelt

Het idee om bepaalde planten te beschermen tegen de elementen is op zich vrij oud. De Romeinse Keizer Tiberius (42 v. Chr. – 37 na Chr.) had  al eenvoudige kassen in de vorm van broeibakken op wielen om de groei van komkommers te bespoedigen. Deze werden een horte pensiles genoemd, wat 'zwevende tuin' betekent. Broeibakken zijn platte kassen met doorzichtige platen bovenop. De bakken van Tiberius hadden platen van zogeheten lapis speculare (doorzichtbare steen), bij ons ook bekend als mariaglas, dat bestond uit mica, alabaster of talk. Dit glas werd hier waarschijnlijk speciaal voor gemaakt en niet anderszins gebruikt.

In de late middeleeuwen duikt het idee van overdekte plantenteelt in gebouwtjes al hier en daar op. Zo is er bewijs dat er in 1385 in Zuid-Frankrijk een glazen paviljoen met ramen op het zuiden stond, waarin bloemen werden gekweekt. Tussen 1491 en 1498 heeft de jonge Franse koning Karel XIII een oranjerie-achtig gebouw neergezet bij zijn Château d’Amboise aan de Loire, waarin artisjokken, meloenen en sinaasappels werden verbouwd. Het idee hiervoor had hij volgens eigen zeggen opgedaan tijdens een veldtocht in Italië, wat zou betekenen dat er daar dus al langer overdekte vormen van plantenteelt waren. Helaas is daar verder niets over bekend. 

In 1535 had één van de rijkste families van Europa, de Duitse familie Fugger uit Augsburg, een gebouwtje voor overdekte plantenteelt. Ook hier is weinig over bekend. Deze handelsfamilie had echter contacten door heel Europa en hebben dus mogelijk een rol gespeeld bij het verspreiden van overdekte plantenteelt door Europa heen.

 

 

Michel-Vincent Brandoin - Renens sur Roche, 1750-90 (cropped). Wikimedia Commons/ Swiss National Library 

Broeibakken bij een Zwitsers landhuis.

 

Botanische tuinen, het begin van de beschermde plantenteelt

Het begin van het beschermd tuinieren op een meer structurele wijze maar wel nog in de buitenlucht, vond plaats in Pisa en Padua. In respectievelijk 1544 en 1545 zijn op de universiteiten van deze steden de eerste botanische tuinen geopend. 

Een Hortus botanicus of botanische tuin (in Vlaanderen ook wel plantentuin of kruidtuin) is een tuin die is aangelegd met wetenschappelijke, doorgaans geneeskundige doeleinden. De benaming verwijst ook naar de beheerders van de tuin. De meeste botanische tuinen horen bij een universiteit, zodat professoren, onderzoekers en studenten deze kunnen gebruiken bij studie en onderzoek. Meestal zijn de tuinen ook open voor andere bezoekers.

Nadat de hortus in de Italiaanse steden was ontstaan, verspreidde deze zich naar andere universiteitssteden. In Leiden werd relatief vroeg een botanische tuin geopend, namelijk in 1590 al, waarmee dit een van de oudste hortussen ter wereld is. Later zorgde de wisselwerking tussen botanische studies enerzijds en het groeiende aantal verre zeereizen anderzijds voor toenemende kennis over en uitvoering van exotische plantenteelt. Daardoor werd het alsmaar belangrijker deze te kunnen bewaren in koudere klimaten. 

 

 

A. Tosini - De Botanische Tuin in Padua, ook bekend als de Tuin van de simpelen, met op de achtergrond de basiliek van St. Antonius, 16de eeuw (1545?).  Bron: Wikimedia Commons/ Roberto De Visiani - L'Orto botanico di Padova nell, 1842

De Botanische Tuin van Pisa is verdwenen, waardoor die van Padua de oudste nog bestaande hortus ter wereld is. 

 

Het ambulacrum, de eerste soort oranjerie

De eerste overdekte plantenteelt vond plaats in wat officieel een ambulacrum heette. Dat was een afgesloten ruimte met dikke muren die 's winters verwarmd werden door het stoken van vuren. Het waren praktische gebouwen, uitsluitend bedoeld voor het houden van niet-winterharde planten. Er waren geen ramen of deze waren afgedekt met luiken. Dat kwam ook omdat ramen in die tijd nog maar zelden van glas waren omdat dit extreem duur was. Ramen waren helemaal open of hadden een hoornvlies ter bescherming tegen de elementen.

Het is niet duidelijk wanneer het ambulacrum is bedacht, maar de universiteit van Padua bezat meteen bij de opening  van de hortus in 1545 al een ambulacrum. Hierna waren ambulacrums vooral in andere botanische tuinen te vinden. In overeenstemming met de rest van de tuin waren ook zij gebouwd voor het telen en bestuderen van medicinale planten, zij het in dit geval niet-winterharde.

De Romeinen gebruikten het woord ambulacrum overigens voor lange brede lanen omgeven met bomen. Dat is ook wat het woord betekent: 'wandelweg aangeplant met bomen'. Middeleeuwse monniken gebruikten het woord eveneens voor de wandelgangen in hun kloosters. Botanische ambulacrums hadden ook een langwerpige plattegrond, aangezien de bomen en planten in lange rijen naast elkaar werden geplant. Deze indeling zou nog lang gehandhaafd blijven bij vormen van overdekte plantenteelt, ook na de komst van ramen.

 

 

Jan Commelin - Illustratie van de oude orangerie in de Hortus Botanicus in Leiden voor zijn boek Nederlandtze Hesperides, 1676. Bron: Wikimedia Commons

De langwerpige indeling overgenomen van het ambulacrum is hier goed zichtbaar. 

 

Hoe citrus naar Europa kwam

Citrusplanten komen van oorsprong uit Azië: de citroenboom uit Perzië, de limoen uit zuidelijk Azië en de sinaasappel uit China. De Europese citruscultuur ontstond doordat kruisvaarders in de middeleeuwen de limoen meenamen naar Italië. De sinaasappel kwam in 1584 via Portugal naar Europa, toen Vasco da Gama deze meenam van een van zijn reizen.

Dat deze boompjes zo populair werden, dankten ze aan verschillende gunstige eigenschappen. Zo zijn hun bladeren mooi diepgroen en glanzend. Tussen die bladeren hangen goudgele vruchten, terwijl er tegelijkertijd bloemen in de boompjes bloeien. Dit samengaan van bloei en vruchten komt maar bij enkele gewassen voor. Verder kreeg men al snel door dat de vruchten goed smaakten en gebruikt konden worden voor zowel medicijnen als reukwaters en limonade. 

Aanvankelijk werden de bomen in een apart stuk tuin gezet dat naar het zuiden toe volledig open was en naar het noorden toe afgesloten tegen hagel en storm. De bomen stonden gewoon in de grond geplant, waarbij men ze op verschillende manieren probeerde te beschermen tegen de elementen. In Zuid-Italië, een warme streek, werden planten in de winter met stro en vlechtwerk omwikkeld. In het zeldzame geval van strenge vorst werden er vuren tussen de planten aangelegd.

 

 

Rafael Romero Barros - Stilleven met sinaasappels, 1863. Bron: Wikimedia Commons/ Museum of Fine Arts Córdoba

 

Afneembare oranjerieën in Centraal-Europa

Er is bewijs dat in Duitstalige en andere Centraal-Europese gebieden al halverwege de 16de eeuw, dus verrassend vroeg, een eigen vorm van beschermde plantenteelt ontstond. Dit betrof afneembare oranjerieën. Dat waren halfopen bouwwerken van hout die in de grond geplante boompjes 's winters  afschermden waar nodig en 's zomers volledig werden afgebroken. Deze plantenhuizen herbergden niet alleen citrus, maar ook andere exotische vruchtenbomen als de ananas, bananenbomen, vijgenbomen en olijfbomen.

De oudst bekende afneembare orangerie werd waarschijnlijk al in 1549 gebouwd in Wenen. In de hedendaagse Burggarten zijn er nog sporen van terug te vinden. In de jaren hierna kwam er waarschijnlijk ook dergelijke plantenhuizen in München, Heidelberg, Neurenberg, Stuttgart en Praag. 

Het systeem was wel omslachtig en de kosten voor het steeds weer opbouwen en afbreken van de oranjerie waren aanzienlijk. Bovendien kon de constructie niet vorstvrij worden gemaakt en nam hij veel ruimte in beslag. Daarom kwamen er ook tussenvarianten, zoals bijvoorbeeld oranjerieën met vaste muren op het noorden en aan de zijkanten en afneembare daken en zuidmuren. Zo bouwde architect Ulrico Aostalli de Sala (1525-1597) bij de Praagse Burcht een vijgenhuis met solide achter- en zijmuren, maar een afneembaar dak. Dit vijgenhuis ligt er nog steeds en is daar te bezichtigen, inclusief boompjes.

Ook zette men wel planten tegen een muur op het zuiden met daarvoor zuilen of pijlers waarover in de winter balken konden worden gelegd om het dak te ondersteunen en waartussen houten schotten konden worden geplaatst. Dergelijke gedeeltelijk afneembare oranjerieën bleven nog eeuwenlang bestaan.

 

 

Maker onbekend - Afneembare oranjerie, 1779. Uit: Johann Georg Krünitz - Oeconomische Encyclopädie oder allgemeines System der Staats-Stadt-Haus-u. Landwirthschaft, in alphabetischer Ordnung; von D. Johann Georg Krümitz. Achtzehenter Theil von Get bis Glasur, 1779. Bron: Wikimedia Commons

Dit is een gedeeltelijk afneembare oranjerie met de mogelijkheid tussenschotten te plaatsen en/of het open dak te bedekken, waarvan rechtsonder een voorbeeld is te zien. 

 

De eerste luxe oranjerieën in Europa

De eerste luxe oranjerieën verrezen in Italiaanse renaissancetuinen die daar waren aangelegd bij landhuizen van puissant rijke Italianen. Dat gebeurde waarschijnlijk al rond 1600, niet eens zo lang nadat het ambulacrum in Padua was geopend.  

In de 17de eeuw was barok de dominante stijl binnen de architectuur en dat paste uitstekend bij de steeds luxer wordende oranjerie. Daarom veranderde deze al snel van een louter praktisch ambulacrum in een fraai vormgegeven pronkstuk, een statussymbool pur sang. Wie een oranjerie op zijn landgoed had staan, had het helemaal gemaakt.

Ondertussen kwam er al meer glas in de gebouwen, want de productie van glas was flink verbeterd. Desondanks bleven de kosten, niet alleen voor de bouw van een oranjerie maar ook voor het onderhoud en de verwarming, zo hoog dat alleen de allerrijksten er een konden betalen. Al bleven universiteiten meer praktische oranjerieën bouwen in hun botanische tuinen.

 

 

Maker onbekend - Illustratie van overdekte citrusteelt in Italië voor het boek Hesperides van Giovanni Battista Ferrari, 1646. Bron: Wikimedia Commons

De ramen zijn van glas met luiken aan de binnenkant. Dat werd vaak geadviseerd voor oranjerieën i.p.v. luiken aan de buitenkant.

 

Naar Frankrijk

De renaissancetuin sloeg ook in Frankrijk aan en dan met name bij de adellijke eigenaren van luxe kastelen langs de Loire en in de omgeving van Parijs. Zo liet koning Hendrik IV (1553-1610) een orangerie bouwen bij Paleis het Louvre. Die is waarschijnlijk in 1617 afgekomen, dus na het overlijden van zijn opdrachtgever. Veel architecten uit de 17de eeuw noemen deze oranjerie als bron van inspiratie, maar helaas is weten wij er weinig van. 

Hij kreeg wel tamelijk snel gezelschap in de buurt. Het Palais de Luxembourg ten noorden van het park Jardin du Luxembourg kreeg ook een oranjerie. Deze is in de jaren rond 1630 gebouwd door meesterarchitect Jacques Lemercier (1585-1654), die zou gaan tellen als een van de grote drie architecten van de Franse barok. Hij legde meer tuinen aan dan algemeen bekend is. Aangezien Lemercier vanaf 1628 eveneens aan renovaties van het Louvre werkte, kan het niet anders of hij was beïnvloed door de orangerie aldaar.

 

 

Jacques Lemercier - Bouwtekeningen van de orangerie voor de Jardin de Luxembourg, ±1628. Bron: Wikimedia Commons/ Stockholm National Museum/ Alexandre Gady -Jacques Lemercier : Architecte et ingénieur du Roi. Paris: Éditions de la Maison des sciences de l'homme, 2005

 

Introductie in Noord-Europa

Nadat de oranjerie zich in Italië en Frankrijk had gemanifesteerd, werd het idee door reizigers en tuinliefhebbers in meer noordelijke gebieden geïntroduceerd. Wie dat allemaal wanneer gedaan heeft, is nog niet volledig geïnventariseerd.

Een goed voorbeeld is echter John Parkinson (1567-1650), een van de eerste Britse botanisten van naam. In 1629 schreef hij zijn eerste grote meesterwerk Paradisi in Sole Paradisus Terrestris (Park-in-Sun's Terrestrial Paradise), meestal aangeduid als Paradisus in Sole. Hierin beschrijft hij de juiste manier om allerlei planten te telen.

In het hoofdstukje ‘Sinaasappels’ introduceert hij vroege vormen van beschermde teelt voor sinaasappelbomen die hij waarschijnlijk in Zuid-Europa heeft gezien. Daarbij worden de bomen tegen een bakstenen muur geplant en in de winter afgedekt door een soort schuurtje gemaakt van planken en  wasdoek. Hij maakt ook melding van grote, op rollers geplaatste bloembakken die gemakkelijk van binnen naar buiten konden worden gereden en vice versa.

In de 17de eeuw kwam de oranjerie definitief naar Noord-Europa. Geen plek tenslotte waar deze meer nodig was om exotische planten te kunnen verbouwen dan het kille noorden. Hij zou er populair worden onder de welgestelden die hem konden betalen en al vroeg in enkele botanische tuinen verschijnen. Ook nu was de universiteit van Leiden er trouwens vroeg bij, met een eerste oranjerie in 1601. Daar verspreidde het idee zich verder over de Lage Landen.

 

 

Maker onbekend - Titelpagina van Paradisi in Sole met een afbeelding van Adam en Eva in het paradijs, 1629. Bron: Wikimedia Commons

 

Het Park van Edingen in België

Er is vooralsnog niet veel bekend over oranjerieën in de Zuidelijke Nederlanden in de 17de eeuw, maar die ene die wel bekend is, lag op een bijzondere plek: het Park van Edingen of Parc d'Enghien. Dit park is ontstaan op het domein van een kasteel in Henegouwen, zo'n 30 kilometer onder Brussel. In 1606 kwam het in handen van het Huis Arenberg, een adellijke familie uit de Eiffel.

Tussen 1630 en 1665 legden zij hier tuinen aan die tot de mooiste van Europa werden gerekend. Verantwoordelijk voor de aanleg waren monniken van het kapucijnersklooster dat in 1615 op het domein was gebouwd. Dit wel onder leiding van een familielid, Anton van Arenberg (1593-1669, bekend als broeder Karel). Hij was geestelijke, astronoom en biograaf maar maakte toch bovenal naam als architect. Zijn tuinen in Edingen zouden vele latere (tuin)architecten inspireren.

Door etsen die zijn gemaakt rond 1685 is bekend hoe deze enorme tuinen er uitzagen en daar was ook een oranjerie bij. Helaas is over deze oranjerie verder weinig bekend, behalve onderstaande prent. Deze zegt echter genoeg, dit moet wel een van de beroemdste oranjerieën in Europa zijn geweest.

 

 

Romeyn de Hooghe - Aangezicht op de Orangien Hoff met de marmere fonteyn van de drie gratien, 1690. Bron: Wikimedia Commons/ KB / Geheugen van Nederland

Het standbeeld dat midden in het hoofdgebouw in een nis staat, is van Hercules.

 

Oranjerieën in de Republiek

De oudste oranjerie van Nederland uit 1601 in de botanische tuin in Leiden was waarschijnlijk de eerste vaste oranjerie in Noord-Europa, waardoor hij vaak als voorbeeld diende. In het kielzog hiervan werd De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de loop van de 17de eeuw de Noord-Europese voorloper op het gebied van oranjerieën. Vooral na 1648, als de Vrede van Münster is getekend en de tachtigjarige oorlog voorbij is, worden er veel oranjerieën gebouwd. Ze waren populair bij zowel edelen, rijke kooplieden als wetenschappers. Er waren meerdere redenen voor deze positie.

  • Een extra grote toevoer van exoten

Halverwege de 17de eeuw bevond de Nederlandse zeevaart zich op een ongekend hoogtepunt, zowel wat betreft handelsreizen als ontdekkingsreizen. Daardoor vertrokken er vele schepen uit de Nederlandse havens, waarvan de meesten terugkeerden met exotische planten aan boord. Bovendien namen de zeevaarders van de VOC als eerste botanisten mee op reis en die brachten meer exotische planten mee naar huis dan wie ook.

  • Een hoogwaardige glasproductie

In De Republiek was de productie van glas van hoog niveau. Glazen ramen waren daardoor gemeengoed geworden in Nederlandse steden, al bestonden die vaak nog wel uit een loodwerk met kleinere ruitjes. In oranjerieën kwamen nu vaak kruisramen, ramen waarvan de sponningen een kruis vormden. Deze ramen hadden in principe maar vier afzonderlijke platen glas nodig, maar konden evengoed in loodwerk zijn gevat.

 

 

Adriaen de Hennin - Mary II Stuart, 1677. Bron: Wikipedia Commons/ Paleis Het Loo

Mary wijst op dit schilderij naar een sinaasappelboom als verwijzing naar haar huwelijk met Willem III van Oranje.

     

    • Een rijke tuincultuur

    De Nederlandse elite had een rijke tuincultuur opgebouwd met een voorkeur voor rechte, classicistische tuinen. De vorm daarvan was een overzichtelijke, niet al te grote rechthoek met het huis op de middenas. De in symmetrische vakken verdeelde tuin werd omgeven door grachten en/of boomsingels. Boomgaarden en moestuinen werden opgenomen in het geheel. Er stonden weinig bloemen in deze tuinen, maar dat kwam omdat die nog maar weinig beschikbaar waren. Bloeiende tuinplanten moesten nog ontdekt worden in Zuid-Afrika.

    Enkele dicht bij het huis gelegen rechte vakken werden ingericht als een zogeheten parterre de broderie. Dat zijn slingervormige borduurwerken van laag gehouden buxusstruiken, die er extra mooi uitzien als je er op neerkijkt vanuit het huis of vanaf de omringende verhoogde terrassen. In deze tuinen pasten in lange rechte rijen opgestelde citrusboompjes uit het Middellandse Zeegebied uitstekend.

    Architectuur

    De 17de-eeuwse oranjerie Nederlandse stijl was een langwerpig of boogvormig gebouw met dikke muren opgetrokken uit steen en hout. Aanvankelijk was niet persé de hele zuidwand voorzien van ramen, maar door de tijd heen werden het er meer en werden ze ook steeds groter. Het dak daarentegen bleef dicht. Glazen daken zouden er in de Republiek nooit echt komen.

     

     

    Dirck van Delen - Een Nederlandse tuinscène, 1636. Bron: Wikimedia Commons/ Shipley Art Gallery/ Art UK

    Op de achtergrond zijn de parterres de broderie goed zichtbaar.

     

    Verwarming door kachels

    Gedurende de eerste helft van de 17de eeuw was de verwarming van oranjerieën nog primitief. Er werd allerlei methoden gebruikt: pannen met gloeiende kolen, op turf gestookte ovens, (haard)vuur en zelfs waskaarsen. Hiermee kon men een temperatuur bereiken van 8 °C, wat afdoende was om de planten in leven te houden maar niet om ze verder te laten groeien. 

    Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw geschiedde verwarming echter steeds vaker door kachels, wat een belangrijke vernieuwing was. Het betrof rechthoekige gietijzeren apparaten op poten, voorzien van een kachelpijp. De kachels werden uit Duitsland geïmporteerd en in de Republiek bijna alleen gebruikt voor de verwarming van oranjerieën; slechts enkele rijke huishoudens namen hem ook in huis. Deze kachels gaven een stralende warmte af en zijn tot in de 19de eeuw in oranjerieën gebruikt.

    Men begon met stoken als het water in 2 of 3 potten begon te bevriezen en men bleef stoken totdat het water weer begon te smelten. Kachels werden doorgaans alleen ’s morgens vroeg en ’s avonds rond 9 uur aangestoken. Alleen in erg strenge winters bleven ze ook 's middags branden. Als brandstof gebruikte men turf, houtskool, hout of kolen. Stoken werd echter vaak afgeraden voor citrusplanten. De warmte van de kachels werd niet goed door de ruimte verdeeld, waardoor er vermoedelijk teveel hitte op één plek bleef hangen. Om de noodzaak tot stoken zoveel mogelijk te beperken, probeerde men de oranjerie zo vorstvrij mogelijk te bouwen. 

    Ergens in de 2de helft van de 17de eeuw kwam verwarming door middel van buizen beschikbaar. De kachel werd dan in een apart gebouwtje tegen de oranjerie aangezet en de rookkanalen door de muren en vloer van de oranjerie geleid. Dat werkte beter dan kachels in de oranjerie zelf plaatsen en het verwarmde goed. Er kon nu een temperatuur van 17°C worden aangehouden. Daardoor verschenen er nu meer exotische planten in de oranjerie naast citrus. Helaas lekten de rookkanalen vaak, waardoor er toch rook in oranjerie kwam. Experts waren daarom weer niet enthousiast en waarschuwden tegen ‘kwalijke dampen'.

     

     

    Maker niet bekend, maar mogelijk Willem Swidde (uitgever De Lespine) - De orangerie van kasteel Gunterstein (nabij Breukelen), 1695. Bron: Wikimedia Commons/ Erik de Jong - Nature & Art: Dutch Garden and Landscape Architecture, 1650-1740, 1995

    Deze oranjerie heeft kruisramen. De twee schoorstenen geven aan dat er ook twee kachels waren, aan iedere kant eentje.

     

    Verdere verspreiding van de oranjerie in Europa

    In 1648 werd de groots opgezette Vrede van Münster getekend. Deze maakte een einde aan meerdere oorlogen, waaronder de Tachtigjarige Oorlog. Op de een of andere manier bleek deze Vrede ook het startschot voor verdere popularisering van de oranjerie in Europa, zij het in eerste instantie vooral op het continent.

    Het waarom is niet opgetekend, maar het valt gemakkelijk voor te stellen dat het samenklonteren van duizenden Europese edelen en andere hoogwaardigheidsbekleders in een middelgroot Duits stadje er iets mee te maken had. Dat enkele Nederlandse afgevaardigden tijdens de vele diners enthousiast hebben verteld over hun nieuwe liefhebberij, waarna ze bijval kregen van pioniers uit andere landen.

    Hoe dan ook, vanaf 1648 gaat het opeens hard met de verspreiding van de oranjerie, zowel binnen als buiten De Republiek. Met name in Frankrijk zorgde Lodewijk XIV (1638-1715) en de zijnen voor een aantal oogverblindende exemplaren, waaronder de grootste van allemaal. 

     

     

    Maker onbekend, maar Engelse school - Portret van een dame met oranjebloesem, late 17de eeuw. Bron: Wikimedia Commons

    Veel 16de-eeuwse vrouwen staan op schilderijen afgebeeld met oranjebloesem in hun hand. Omdat de sinaasappelboom het hele jaar door bloemen geeft, is dit een teken van vruchtbaarheid. De aanwezigheid van een sinaasappelboom op een portret was doorgaans een teken van rijkdom omdat het zo'n dure plant was. 

     

    Bekende Nederlandse oranjerieën in de 17de eeuw

    De Nederlandse oranjerieën die de meeste internationale faam vergaarden, werden allemaal ruim na 1648 gebouwd. Dat kwam omdat ze allemaal gerelateerd waren aan Willem III, die als koning van Engeland en Schotland een naam had hoog te houden en bovendien in een concurrentieslag lag met Lodewijk XIV.

    • Sorghvliet in Den Haag

    Sorghvliet was aanvankelijk de buitenplaats Jacob Cats die al veel mooie tuinen had laten aanleggen. In 1674 kocht Hans Willem Bentinck (1649-1709), de rechterhand van Willem III, de buitenplaats. Hij verfraaide de tuinen verder en liet in 1676 een oranjerie bouwen. Bentinck was een grote tuinkenner en zou later ook de verantwoordelijk gaan dragen voor de tuinen van Willem en Mary, zowel in Engeland als in Nederland.  

     

     

    J.J. van den Aveelen - D'Orangerie van 't Perk van Sorgvliet, een der schoonste van Holland, 1690. Bron: Wikimedia Commons

     

    De oranjerie telde als belangrijkste bezienswaardigheid van heel Sorghvliet. Hij was in een halve cirkel gebouwd rondom een groot terrein met het hoofdgebouw in het midden. Op het met drie oplopende terrassen en een fontein gebouwde middenterrein kon een indrukwekkende zomeropstelling worden geplaatst. Van binnen was het hoofdgebouw neoclassicistisch en barok aangekleed. Aan weerszijden van de hal was er een toegang tot de eigenlijke oranjerie waar de potten ‘s winters werden neergezet. De verwarming gebeurde door middel van buizen die werden opgewarmd door turfgestookte kachels. 

    • Huis Honselaarsdijk in Honselersdijk

    Buitenplaats Honselaarsdijk (Honselaersdijk) werd vanaf 1621 op de plek van een oud slot gebouwd door Frederik Hendrik, die vanaf 1625 stadhouder binnen de Republiek was. In 1660 kwam het huis in handen van Willem III (1650-1702) die het gebruikte als jachtslot of er gasten ontving. Hij was het die rond 1680 landmeter en hofarchitect Johan van Swieten (1633-1691+) de opdracht gaf om er een oranjerie te bouwen.   

       

       

      Abraham Blooteling -  Paleis Honselaarsdijk gebouwd tussen 1621 en 1647, in opdracht van stadhouder Frederik Hendrik, 1683 (detail).  Bron: Wikimedia Commons

      Beeld van het landgoed in vogelvlucht met links boven de stallen de oranjerie met de ruimte voor de buitenopstelling.

       

      Het werd een lang gebouw met een monumentaal middenfront waarop een grote koepel stond. De muren waren gebouwd in zogeheten blokverband dat zeer bewerkelijk is en dus duur. Aan weerszijde van de blokken stonden nissen met beelden. De ruimte voor de zomersopstelling lag tussen de oranjerie en stallen en werd door brede lanen in langwerpige vakken verdeeld waarbinnen de oranjebomen stonden opgesteld. Het geheel was omgeven door groene hagen. 

      De kosten voor deze oranjerie zijn bekend en bedroegen 30.000 gulden. Dat is zelfs in onze tijd nog een fiks bedrag, laat staan in 1680.

      • Paleis Het Loo in Apeldoorn

      Hoe gecharmeerd Willem ook was van Honselaarsdijk, in 1689 gaf hij zijn nieuw aangestelde hofarchitect Jacobus Roman (1640-1716) de opdracht paleis Het Loo te bouwen. Dit ook met de bedoeling extra grote en mooie tuinen te laten aanleggen naar voorbeeld van die in Versailles. Het terrein leende zich goed voor een tuin met veel waterwerken, vanwege de aanvoer van water vanuit de omringende heuvels. Willem wilde graag dat zijn fonteinen een paar meter hoger zouden spuiten dan die van Lodewijk XIV, wat zou lukken.

       

       

      Jan van Call - Orangerie van Paleis Het Loo zijaanzicht. Uit: Admirandorum quadruplex spectaculum (serietitel). Uitgeleesene Gesichte van het Wijdvermaarde Loo als andere vorstelijke Huisen, uitgever P. Schenk, 1694-97. Bron: Wikimedia Commons/ Rijksmuseum

      De koninginnetuin is goed zichtbaar op deze prent.

       

      Tussen 1690 en 1694 liet Willem Het Loo verder uitbreiden. Waarschijnlijk kwam er toen ook een oranjerie in een zijvleugel van het hoofdgebouw.  De aangrenzende tuin werd de koninginnetuin, het domein van Mary, die hier graag mocht verblijven. In de tuin was een fontein met daaromheen parterres de broderie. Daarlangs stonden tal van kuipen met oranjeboompjes opgesteld. Deze kuipen waren lang de speciale attractie van deze oranjerie. In de zomertuin stonden de planten opgesteld rond het bassin met de fontein, omzoomd door hoge hagen ter beschutting. 

       

      Hans Willem Bentinck

      Hyacinthe Rigaud - Hans Willem Bentinck, eerste graaf van Portland, 1698/99. Bron: Wikimedia Commons/ Welbeck Abbey/ Harley Gallery and Foundation

      Willem III

      Godfrey Kneller - Portret van Willem III van Oranje, koning van Engeland, ±1690. Bron: Wikimedia Commons/ Scottish National Gallery

      Jacobus Roman

      Pieter Schenk de oudere - Portret van Jacobus Roman, rond 1700. Bron: Wikimedia Commons/ Bijzondere Collecties, Universiteit Leiden

      Oranjerieën in Frankrijk 1650-1690

      Nicolas Fouquet (1615-1680) was een Franse graaf en markies die als (soort van) minister van financiën fungeerde onder Lodewijk XIV. Hij vergaarde bijzonder veel macht wat hij combineerde met twee fortuinlijke huwelijken, waardoor hij gierend rijk werd. Veel van zijn geld gaf hij uit aan zijn passie voor tuinen. In 1654 verwierf hij een pand in de plaats Saint-Mandé, dat hij verbouwde en verfraaide. Het werd het luxueuze Château Saint-Mandé, omgeven door tuinen ontworpen door de toen nog jonge maar al zeer getalenteerde tuinarchitect André Le Nôtre (1633-1700). Deze zou hierna uitgroeien tot de belangrijkste tuinarchitect van de 17de eeuw.

      Bij Saint-Mandé werd een orangerie gebouwd door toparchitect Louis Le Vau (1613-1670), die ook voor verschillende andere onderdelen van het kasteel verantwoordelijk was. Hij was na Lemercier de tweede van de drie grote architecten van de Franse barok en werd in 1654 diens directe opvolger als 'Eerste Architect van de Koning' onder Lodewijk XIV. Zijn carrière overlapt gedeeltelijk met die van Lemercier en hij zal door de grote meester beïnvloed zijn geweest.

      De oranjerie in Saint-Mandé werd met een lengte van 70 à 80 meter uitzonderlijk lang en nam aldus een prominente plaats in de tuin in. Er was plaats voor 200 kuipen met sinaasappelbomen naast andere planten. Buiten werden de kuipen geplaatst op smalle, naar benden aflopende stroken gazon. Op de achtergrond zetten lanen met bomen dit regelmatige patroon voort.

       

      Nicolas Fouquet

      Édouard Lacretelle - Nicolas Fouquet, Minister van financiën, 1888. Bron: Wikimedia Commons/ Paleis van Versaille

      Lodewijk XIV

      Pierre Mignard I of Hyacinthe Rigaud - Portret van Lodewijk XIV van Frankrijk, 1675-1700. Bron: Wikimedia Commons/ Château de Blois

      André Le Nôtre

      Carlo Maratta - Portret van André Le Nôtre, 1679-1681. Bron: Wikimedia Commons/ Paleis van Versailles

       

      Min of meer tegelijkertijd werd Le Vau ook door Fouquet ingeschakeld bij de herbouw van zijn kasteel Vaux-le-Vicomte in Maincy, waar hij allerlei pracht en praal op grootse schaal en zonder beperkingen zou etaleren. Hier leefde Fouquet zijn passie voor tuinen pas echt goed uit: hij bestelde nieuwe ontwerpen bij Le Nôtre en liet de tuinen versieren met beelden, kassen en oranjerieën.

      Op 17 augustus 1661 hield Fouquet een groots feest in zijn nieuwe pronkstuk ter ere van zijn jonge koning en diens moeder. Vermoedelijk kreeg de nog jonge zonnekoning hier het idee voor latere paleizen en kastelen als Versailles en Fontainebleau, want het verhaal gaat dat hij erg jaloers was. 

      Voor Fouquet pakte dat helaas slecht uit. Op 5 september 1661, de 23ste verjaardag van zijn vorst, werd hij gedeeltelijk terecht en gedeeltelijk als wraakactie gearresteerd wegens financiële malversaties en wanbeheer en voor de rest van zijn leven gevangen gezet.

       

      Jacques Lemercier

      Philippe de Champaigne - Portret van Jacques Lemercier met op de achtergrond de door hem ontworpen Sorbonne, 1644. Bron:  Wikimedia Commons/ Paleis van Versailles 

      Louis Le Vau

      Maker onbekend maar mogelijk Pierre Rabon - Louis Le Vau (vermoedelijk, maar niet zeker), ± 1662. Bron: Wikimedia Commons/ Paleis van Versailles 

      Jules Hardouin-Mansart

      Hyacinthe Rigaud - Portret van Jules Hardouin-Mansart, 1685. Bron: Wikimedia Commons/ Louvre-Lens

       

      In opdracht van Lodewijk XIV

      Het paleis in Fontainebleau, zo'n 60 km onder Parijs, bestond al eeuwen en was in het bezit van menige Franse vorst. Lodewijk liet er tussen 1660 en 1664 de tuinen ombouwen tot een zogenoemde Franse Tuin met veel parterres de broderie. Daarvoor werden uiteraard André Le Nôtre en Louis Le Vau ingehuurd.  Wanneer de orangerie is gebouwd is niet zeker, maar hij oogt bijzonder indrukwekkend en heeft een zeer grote plaats voor de buitenopstelling. Maar Lodewijk XIV deed dan ook niet aan bescheidenheid. 

       

       

      Jan Lamsvelt - Gezicht op de Orangerie en Cour de la Fontaine van het paleis van Fontainebleau, 1726-43. Bron: Wikimedia Commons/ Rijksmuseum

      Deze prent is een reproductie van een prent die tussen 1660 en 1703 is gemaakt door Gabriel, Adam of Nicolas Perelle. 

       

      Tussen 1684 en 1686 laat Lodewijk XIV tenslotte de meest prestigieuze orangerie ooit bouwen bij zijn paleis in Versailles. Niet dat Versailles nog geen oranjerie had, want Le Vau had er in 1663 al een gebouwd die het aanzien ongetwijfeld ook meer dan waard was. Maar de zonnekoning had inmiddels hogere ambities en dus liet hij zijn nieuwe Eerste Architect,  Jules Hardouin-Mansart (1646-1708), een nieuwe ontwerpen. Hardouin-Mansart was in 1881 benoemd en begon pas als architect na de dood van Le Vau, waardoor hij nooit met hem heeft samengewerkt. Wel werkte hij nauw samen met André Le Nôtre, die inmiddels al decennialang eerste verantwoordelijke was voor de tuinen in Versailles.

      Het imposante gebouw is in de helling rondom het paleis gebouwd, waardoor hij de grote parterre voor de zuidvleugel van het paleis grotendeels ondersteund. De 'Trap van Honderd Treden' loopt links en rechts van de buitenopstelling naar beneden. De centrale galerij tussen de treden in is 155 meter lang. De orangerie heeft grote boogvensters en is volledig opgetrokken uit bewerkte natuursteen. Voor het gebouw bevindt zich parterres de broderie, waar in de zomer honderden sinaasappelbomen omheen werden (en worden) gezet. 

      De derde grote man van de Franse barok was het meest getalenteerd van allemaal, wat hij op tal van manieren in Versailles zou laten zien. De oranjerie die hij er bouwde was zo indrukwekkend dat hij de standaard zou zetten. Hardouin-Mansart zou hierna nog menige oranjerie bouwen. Een van de bekendste werd die van het Château de Sceaux, 10 km ten zuidwesten van Parijs. Ook deze was in opdracht van Lodewijk XIV en in samenwerking met tuinarchitect André Le Nôtre ontworpen.

       

       

      Étienne Allegrain & Jean-Baptiste Martin - De orangerie van Chateau Versaille, ±1695. Bron: Wikimedia Commons/ Palace of Versaille

       

      Oranjerieën in het Verenigd Koninkrijk?

      Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat er ook in Groot-Brittannië al in de 17de eeuw oranjerieën zijn gebouwd. Om te beginnen was er natuurlijk het eerder vermelde werk van John Parkinson. Tevens was het Verenigd Koninkrijk een zeevarende natie met vele kolonies die exotische planten importeerden. Het telen van planten en bloemen was al in de 17de eeuw een zeer populaire hobby onder welgestelde Britten. Er zijn ook genoeg geschilderde portretten bekend van welgestelde Britten met oranjeboompjes, dus met citrus was men goed bekend. 

      Verder onderhield Engeland tot aan de Eerste Zeeoorlog in 1652 nauwe banden met de Republiek. Door de zeeoorlogen verliep dat enige tijd, maar toen Willem en Mary in 1689 koning en koningin van Engeland en Schotland werden, waren er weer volop contacten. Het enthousiasme dat Willem en zijn rechterhand Bentinck in de Republiek aan de dag legden voor tuinen en oranjerieën doet dan vermoeden dat zij het idee in Groot-Brittannië op de kaart hebben gezet voor zover het dat nog niet stond.

      Uiteindelijk wordt door meerdere bronnen gemeld dat de oranjerie in de loop van de 17de eeuw aan de andere kant van de Noordzee inderdaad ook tot bloei kwam. Probleem is echter dat er geen Britse oranjerieën van naam te vinden zijn van voor ±1700. Dat wil niet zeggen dat er geen waren, maar wel dat het hoe, wat en waar vooralsnog onduidelijk is. 

       

       

      Peter Lely - Elizabeth, Gravin van Kildare, ±1679. Bron: Wikimedia Commons/ Tate/ Art UK

      Elizabeth Jones (1665-1758), de oudste dochter van de 1ste Graaf van Ranelagh, zou feitelijk pas in 1684 door haar huwelijk de gravin van Kildare worden. Dat ze op het schilderij oranjebloesem in haar handen heeft en er cupido's op de pot van de sinaasappelboom staan, verwees mogelijk naar haar beschikbaarheid voor een huwelijk. Gezien haar vermaarde schoonheid hoeft het niet te verbazen dat ze een echtgenoot heeft gevonden. Op het schilderij zou ze echter nog maar 14 jaar zijn, wat moeilijk te geloven is. Toen ze trouwde was ze 19, maar gelukkig voor haar was haar aanstaande ook nog maar 23. 

       

       

      De eerste oranjerie in Zweden

      Zweden onderhield in de 17de eeuw (en ook later nog) eveneens zeer nauwe banden met De Republiek. Vandaar dat het niet eens zolang duurde voordat het concept van de oranjerie vanuit Italië het uiterste noorden bereikte. De oudst bekende Zweedse oranjerie verscheen in de botanische tuin van de universiteit van Uppsala. Deze werd vanaf 1655 ontworpen en aangeplant door hoogleraar medicijnen Olaus Rudbeck (1630-1702). Centraal in deze tuin lag een groot gebouw dat waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk dienst heeft gedaan als oranjerie, al is daar het fijne niet over bekend. 

      In 1702 werd de tuin namelijk ernstig beschadigd door een grote stadsbrand in Uppsala, waarna er een tijdlang niets aan werd gedaan. In 1741 kwam de tuin onder leiding te staan van de grote plantkundige Carl Linneaus en werd hij herbouwd, waarna er ook een nieuwe oranjerie kwam. Deze tuin staat tegenwoordig bekend als de Linnéträdgården en is een van de twee botanische tuinen in Uppsala.

       

       

      Olaus Rudbeck - Ontwerp voor de Botanische Tuin in Uppsala, 1675. Bron: Wikimedia Commons

      De schets is afkomstig uit Rudbecks eigen boek: Atland eller Manheim dedan Japhetz afkomne, de förnemste keyserlige och kungelige slechter ut till hela werlden, henne att styra, utgångne äro, (Atland of Manheim, de afstammelingen van Jafeth, de edelste keizerlijke en koninklijke afstammelingen van de hele wereld, die over haar heersten, zijn, ...), 1675. 

       

       

      De opkomst van de kuipplant

      Het was niet alleen de Vrede van Münster die de oranjerie vooruit hielp. Er was ook een uitvinding die hielp, namelijk die van een transportwagen voor kuipplanten. Oranjebomen moesten immers twee keer per jaar met kuip en al verplaatst worden: in het late voorjaar van binnen naar buiten en in het najaar weer van buiten naar binnen. De ervaring van hoveniers was dat de boompjes het op deze manier beter deden dan wanneer ze in de grond werden geplaatst. 

      Het verplaatsen van de loodzware kuipen was echter een heel evenement. Soms wogen ze wel een paar honderd kilo. Aanvankelijk werd het veelal gedaan door kuipen met grote handvaten te kiezen. Daar konden palen doorheen gestoken worden die dan als draagbaar fungeerden. Dit was echter alleen bruikbaar wanneer de plaats voor de zomeropstelling direct naast de oranjerie lag. Voor kuipen die verder weg moesten komen, bestonden er lage rolwagentjes op wielen. Dan moest men echter wel eerst de kuip op wagentje zien te tillen en er later weer vanaf, wat ook niet meeviel.  

       

       

      Wolf Helmhardt von Hohberg - Planten worden de oranjerie in gedragen, 1695. Bron: Wikimedia Commons/ Deutsche Fotothek

      De methode met palen als draagbaar is op de meeste afbeeldingen uit de 17de eeuw te zien. Van de wagentjes zijn curieus genoeg geen afbeeldingen te vinden.

       

      Het nieuwe type wagentje dat in het laatste kwart van de 17de eeuw moet zijn bedacht, omvatte de kuip in zijn geheel, waarna hij met behulp van een lier omhoog kon worden getild. Het karretje had geen as tussen de wielen, maar wel een roller en een boom die verwijderd konden worden, waardoor de kast de kuip kon omvatten. Dan werden er touwen onder de handvaten geplaatst, waarna het geheel werd opgedraaid met een rol. 

      Dit werd in een encyclopedie uit 1822 een  orange-tree diable genoemd, een oranjeboomduivel.¹  Als uitvinder wordt ene M. Vallet, een kweker uit Rouen uit de tijd van Lodewijk XIV genoemd. Andere bronnen wijzen de uitvinding toe aan André Le Nôtre ² zelf. De encyclopedie heeft het echter over meerdere verschillende wagentjes die in 1822 beschikbaar waren, dus misschien hebben beide heren een wagentje bedacht waarmee je de kuipen kon tillen.

      Hoe dan ook, meer eigenaren van kastelen en landhuizen zagen het nu zitten, zo'n orangerie. Ook de oranjerie in de hortus van Leiden had dergelijke wagentjes. Alleen in Groot-Brittannië schijnen ze niet te zijn gebruikt. 

       

      Olaus Rudbeck

      Martin Mytens - Portret van Olaus Rudbeck de oudere, 1696. Bron: Wikimedia Commons/ Wikipedia Zweedstalig

      Jan Commelin

      Gerard Hoet - Jan Commelin, tussen 1676 en 1692. Bron: Wikimedia Commons/ Amsterdam Museum

      Cassiano dal Pozzo

      Jan van den Hoecke - Portret van Cassiano dal Pozzo, 1630-1650. Bron: Wikimedia Commons

       

      Handboeken voor het telen van citrus

      Met het toenemen van het aantal oranjerieën en het aantal kwekers, werd het tijd voor gespecialiseerde handboeken. Een hoofdstukje in andere handboeken was niet meer afdoende. Een eerste standaardwerk verscheen in Italië en was geschreven door orientalist en botanicus Giovanni Baptista (of Battista) Ferrari (1584-1655). Zijn Hesperides sive de Malorum Aureorum Cultura et Usu Libri Quatuor, kortweg Hesperides, werd in 1646 voor het eerste gepubliceerd. Hij had daarbij veel hulp van de bekende wetenschapper Cassiano dal Pozzo (1588-1657) die een groot kenner was van citrus.

      Het eerste deel van dit standaardwerk is het oudst bekende boek dat volledig is gewijd aan citrus en de vele soorten en variaties die het kent. Het boek is bovendien voorzien van fraaie prenten gemaakt door bekende, in Italië wonende en werkende etsers en kunstenaars.  

       

       

      Maker onbekend - Afbeelding uit de Hesperides van Giovanni Battista Ferrari, 1646. Bron: Wikimedia Commons/ Metropolitan Museum of Art

       

      Nederlandse boeken

      Jan Commelin (1629-1692) was botanicus in de Republiek in een tijd dat Nederlandse zeevaarders constant thuiskwamen met onbekende planten uit streken als Afrika, Indonesië en ook Zuid-Europa. Hij zal als een kind in een snoepwinkel zijn geweest. Hij was enige tijd lid van de Amsterdamse vroedschap en medeoprichter van de botanische tuin in Amsterdam. Als zodanig had hij uitstekende contacten bij de VOC en kon hij gemakkelijk aan de exotische planten komen. Deze teelde hij vervolgens in kasachtige gebouwen op zijn buitenverblijf Zuyderhout in Haarlem. In latere jaren kreeg hij daarbij de hulp van zijn neef Caspar, de zoon van zijn broer.

      In 1676 publiceerde hij Nederlandtze Hesperides,Dat is, Oeggening en Gebruik van de Limoen en Oranje-Boomen Gestelt na den Aardt, en Climaat der Nederlanden. Dit was het eerste standaardwerk over het houden van citrus in een noordelijk klimaat. Voor dit boek had hij zich laten inspireren door dat van Ferrari. Aangezien zijn vader en broer een uitgeverij hadden, was het niet moeilijk het boek gepubliceerd te krijgen. Hoewel het speciaal gericht was op de Nederlandse oranjerie-eigenaar, zou het toch internationaal als standaardwerk gaan tellen.

       

       

      Maker onbekend - Titelpagina van de Nederlandtze Hesperides, waarop twee hoveniers citrusboompjes planten terwijl een Hesperide toekijkt met een sinaasappel in haar hand, 1676. Bron: Wikimedia Commons

       

      In 1700 werd het werk van Commelin voortgezet door boomkweker (entenier) en hovenier Hendrik van Oosten uit Leiden, die het in zijn De nieuwe Nederlandse bloem-hof, ofte de sorgvuldige hovenier: insgelijks ook een naaukeurige verhandeling, hoe men alle soorten van boomen ... ook uitgebreid over ‘hesperides’ heeft. Daarbij haakt hij expliciet in op het werk van Commelin.

      Dankzij deze twee standaardwerken en de contacten van Commelin, groeide de populariteit van de oranjerie in de Republiek en daarbuiten gestaag verder.

      Na 1700

      De oranjerie had gedurende de 17de eeuw wortel geschoten. Bij veel kastelen, villa's en buitenhuizen lieten mensen er een bouwen. In een aantal tuinen waren al grootse pronkstukken verrezen. Toen de nieuwe eeuw aanbrak, was de oranjerie klaar om aan zijn hoogtijdagen te beginnen. Want dat is wat de 18de eeuw zou brengen: meer oranjerieën op veel meer plaatsen en nog grotere oranjerieën. 

       

      Jacques Rigaud of naar voorbeeld van Jacques Rigaud - Gezicht op de Orangerie van het Château de Saint-Cloud, 1730. Bron: Wikimedia Commons/ Rijksmuseum

      Het kasteel van Saint-Cloud, 10 km ten westen van Parijs, werd in 1658 gekocht door hertog Filips van Orléans, de broer van Lodewijk XIV. Tot zijn overlijden in 1701 zou hij het kasteel blijven uitbouwen. Gelukkig mocht hij André Le Nôtre lenen voor een drastische hervorming van de tuinen. De architect, waarschijnlijk ook van de oranjerie, was de vaste architect van de hertog, Antoine Lepautre. 

      De afbeelding is overigens een zogeheten opticaprent die wanneer hij werd bekeken door een zograscoop extra diepte heeft.

      Verder lezen

      Artikel op Villa Voorheen

      Geschiedenis van de potplant tot 1850

      Hoe mensen sinds de oudheid planten in potten hielden

      Noten

      1. J.C. Loudon – An encyclopaedia of gardening, 1822

      2. https://de.wikipedia.org/wiki/Orangerie

      Bronvermelding

      Boeken

      Erik Geytenbeek 

      Oranjerieën in Nederland. Alphen aan den Rijn 1991, Canaletto. ISBN: 906496462

      Artikelen

      Els van Benthem & Nicole van der Werf

      Potplanten en hun geschiedenis  In: I. Stroucken red. - Geschiedenis van de kamerplant, Volkscultuur, tijdschrift over tradities en tijdsverschijnselen, jaargang 8 Nr. 1, Utrecht 1991

      Internetartikelen met auteursvermelding

      MpaginaE

      • M.H.H. Engels - Jeugdportret Johan van Swieten 1646. Landmeter en bouwmeester in spe bekend geworden van de Weg naar de zee (2024, september), geraadpleegd op 15 september 2026, https://www.mpaginae.nl/vanSwieten/Johan.htm 

      Internetartikelen zonder auteursvermelding

      Wikipedia Duitstalig

      Wikipedia Engelstalig

      Wikipedia Franstalig

      Wikipedia Nederlandstalig

       

      Artikelinformatie

      Auteur

      Anne-Claire Verham

      Publicatiedatum

      7 oktober 2026

      Categorieën

      Hoofdrubriek

      Wonen

      Tijdsperiode

      Vroegmoderne Tijd